Het testament van AMBI, een historie van niet-bekostigd ICT-Onderwijs
Inleiding
Voor honderdduizenden mensen, die voor hun werk met computers en informatiesystemen te maken hebben (gehad), is AMBI een begrip. Vooral voor diegenen die één of meer AMBI-modules hebben gevolgd en zeker voor hen die het einddiploma AMBI hebben behaald. AMBI gold lange tijd als dé opleiding op (bijna) HBO-niveau om een goede carrière te maken in de ICT-sector. Werkgevers vonden AMBI een pre omdat AMBI meestal als avondstudie werd gevolgd door studenten, die in de ICT-praktijk werkzaam waren.
Doel van het opleiden voor een vak
Vanuit een economisch perspectief heeft het opleiden van mensen tot doel een bepaald resultaat te bereiken. Voor de op te leiden en opgeleide personen zou dat moeten zijn, dat hun inspanningen en kosten uiteindelijk leiden tot hogere inkomsten. Voor organisaties die mensen werk verschaffen en de opleiding betalen middels een (hoger) salaris, dan wel direct door de opleiding te financieren geldt in wezen het zelfde. Het doel is medewerkers beter te doen presteren om daardoor de eigen bedrijfsdoelstellingen te kunnen realiseren. Een andere economisch gegeven is dat commerciële opleiders verplicht zijn voor hun continuïteit bedrijfseconomisch te werk te gaan en zullen dus winst moeten maken.
Ontstaan van AMBI
De introductie van computers voor commercieel gebruik (in Nederland in 1957) veroorzaakte de behoefte om te weten wat je met die apparaten kon doen en hoe deze bestuurd moesten worden. Reguliere onderwijsinstellingen konden die vraag op dat moment uiteraard niet beantwoorden. De kennis over deze materie is primair ontstaan bij researchinstellingen en computerproducenten.
Eind 50-er jaren maakte vooraanstaande economen en accountants (logisch gezien de eerste toepassingsgebieden) zich druk hoe dit probleem in Nederland moest worden opgelost. Van historische belang was de oprichting van de Stichting Studiecentrum voor Administratieve Automatisering in 1958. Deze stichting organiseerde seminars, lezingen en verschillende cursussen en opleidingen. De bekendste is de AMBI-opleiding, waarvoor de stichting in 1964 van de overheid de officiële erkenning kreeg om (ook) op te treden als exameninstituut. De organisatie was eenvoudig. Voor de (aanvankelijk) 7 AMBI-modules werden 7 externe coördinatoren aangesteld, die samen met beroepsgenoten de inhoud van de modules specificeerden, waarmee tevens ook de exameneisen waren vastgesteld. De stichting had een kleine staf voor het organiseren van de lessen (planning, cursuslokalen, lesstof vermenigvuldigen, factureren), maar beschikte wel over veel externe docenten uit de praktijk, Afhankelijk van de vraag werden de AMBI-modules in verschillende plaatsen in Nederland georganiseerd. Elke module bestond uit ca. 25 bijeenkomsten en werd afgesloten met een schriftelijk en/of mondeling examen, waarna een modulecertificaat kon worden behaald. Wanneer alle certificaten of vrijstellingen daarvoor waren behaald, kon het einddiploma AMBI worden uitgereikt.
Intussen nam het aantal geïnstalleerde computers sterk toe en daarmee groeide de behoefte aan steeds meer computerpersoneel (programmeurs, systeemanalisten, projectleiders). Dit leidde tot het oprichten van een opleidingsinstituut NOVI (Stichting het Nederlands Opleidingsinstituut voor Informatica) door de inmiddels omgedoopte Stichting het Nederlands Studiecentrum voor Informatica. Samen traden de beide stichtingen op onder de naam: Studiecentrum NOVI. Het Studiecentrum organiseerde de examens, deed beperkt onderzoek, onderhield een grote bibliotheek met bijbehorende diensten en gaf het tijdschrift Informatie uit. De splitsing was bedoeld om meer dynamiek in de automatiseringsopleidingen te genereren, maar kwam ook tegemoet aan de wensen van enkele andere niet-reguliere ICT-onderwijsinstellingen, zoals het EIT (Economisch Instituut Tilburg), dat vond dat de opleidingen en examens wel erg dicht bij elkaar zaten. De eerste directeur van het NOVI-deel van Studiecentrum NOVI, Prof. A.J. van 't Klooster, zorgde voor de gewenste dynamiek. Hij nam een aantal docenten aan in vaste dienst voor het geven van op AMBI gebaseerde dagopleidingen. Grote afnemers daarvan waren het bank- en verzekeringswezen en overheidsorganisaties, de eerste gebruikers van grote en kostbare computers (mainframes). De voortschrijdende ontwikkeling in de ICT heeft gezorgd voor een voortdurende vernieuwing en aanpassing van AMBI. In 1972 wordt een nieuwe opzet van AMBI geïntroduceerd. Een ambitieus programma voor die tijd en vergeleken met de start van AMBI een leerstofexplosie. Mooi was dat besloten werd om leerboeken te vervaardigen voor de AMBI-modules in plaats van syllabi of collegedictaten.
Dat het volgen van AMBI-modules populair was in die tijd blijkt wel uit het aantal examenkandidaten voor met name de basismodules, waarvoor 10.000-den examens per jaar werden afgenomen. De module I.1 werd zelfs onder de naam "Hoe word ik de computer de baas" als cursus van Teleac uitgezonden. Stichting NOVI was bepaald een succes op het gebied van het niet-bekostigde ICT-onderwijs. Het wel bekostigde ICT-onderwijs dat inmiddels her en der ontstond kopieerde de AMBI-specificaties als ware het eigen ontwikkelingswerk en bleef dat ook nog jaren doen. De snel groeiende opleidingsactiviteit verstoorde het financieel evenwicht van het oude Studiecentrum (o.a. door onrendabele investeringen in conferentiefaciliteiten), dat vooral gedreven had op de inkomsten uit AMBI. Ultimo 1983 gaat de combinatie failliet. De doorstart werd snel gevonden. De bibliotheek ging naar de Katholieke Hogeschool in Tilburg, het maandblad Informatie en NOVI draaiden gewoon door met een andere eigenaar en voor het afnemen van de AMBI-examens werd een nieuwe organisatie opgericht: Stichting het Nationaal Exameninstituut voor Informatica (EXIN).
De organisatie van het toenmalig EXIN bestaat dan uit een breed Algemeen Bestuur met aanverwante commissies, een bureau met vaste medewerkers onder leiding van een directeur, een brede Raad van Advies, waarvan de leden de verschillende specialisaties van de examens dekten. Voor één of meerdere modules bestonden examencommissies, bemand met externe specialisten uit de praktijk, Universiteiten en andere gremia. De examencommissies konden ook voorstellen doen voor aanpassing van de examenspecificaties van hun module(s). De Raad van Advies stelde de nieuwe specificaties vast en het bestuur keurde deze goed. Daarnaast waren er regelmatig projectgroepen actief, die innovaties voorbereiden en/of de examenspecificaties tussen de verschillende modules bewaakten.
Het belang van opleidingen, die door verschillende opleidingsinstituten worden gegeven en die hun studenten examens laten afleggen bij een onafhankelijk, neutraal landelijk exameninstituut, kan niet genoeg worden onderstreept. Het maakt diploma's vergelijkbaar, ongeacht waar de opleiding is gevolgd. Dat is van waarde voor de studenten en hun werkgevers en dus ook voor de opleidingsinstituten. De landelijke examinering hoeft niet persé door het zelfde instituut uitgevoerd te worden dat ook het platform vormt voor de content en architectuur(beheer) van de examenspecificaties, maar het werkt in de praktijk wel erg efficiënt. De situatie waarin een (wel of niet bekostigde) opleidingsinstelling een docent zelf de inhoud laat bepalen van een opleidingsonderdeel en ook het examen laat verzorgen, kan in de praktijk alleen maar tot problemen leiden en verlaagt het niveau van het diploma. Een extra spanningsveld ontstaat wanneer de financiering van een instituut sterk afhankelijk is van het aantal uitgereikte diploma's. Daar hebben we de afgelopen periode voldoende stuitende voorbeelden van gezien.
In 1988 introduceert EXIN AMBI88. Het aantal modules wordt sterk uitgebreid en ze worden aangeduid met een code, die vooraf gaat met de letter H om aan te geven dat het gaat om hoger beroepsonderwijs. Dat was nodig omdat inmiddels ook een serie modules was ontwikkeld met leerstof op MBO-niveau (PDI, Praktijkdiploma Informatica). Deze versie van AMBI bestond uit enkele inleidende modules (Elementaire Informatica), twee HB-modules voor bestandsorganisatie/databases, negen HS-modules voor systeemontwerp, en eveneens negen HP-modules voor onderwerpen met betrekking tot programmatuur. AMBI88 bestaat dan inmiddels uit ca. 30 modules, waarbij bepaalde combinaties van AMBI-certificaten een AMBI-diploma oplevert. In het schema met betrekking tot genealogie van AMBI zijn de coderingen opgenomen van de modules, die in de loop der jaren werden geëxamineerd. Daarbij is er onvoldoende aandacht geweest voor de economische haalbaarheid van bepaalde modules. Zo is het voorgekomen dat voor een bepaalde module maar enkele examenkandidaten examen hebben gedaan.
Medio 1990 stelde het bestuur van EXIN op advies van de Raad van Advies een Stuurgroep in, die tot doel had een raamwerk te ontwikkelen om bestaande en nieuwe examens beter te kunnen positioneren in het licht van de de maatschappelijke en vakinhoudelijke ontwikkelingen, maar ook om economische en organisatorische verbeteringen te bewerkstelligen. Belangrijk was flexibilisering van de dienstverlening zoals de overschakeling van voor- najaars examens naar doorlopende examinering met behulp van een database van multiple choice vragen, toetsing van vaardigheden en assesments. Ook werd flexibilisering voorgestaan van de ontwikkeling van nieuwe leerstof middels try outs en proefmodules en de invoering van multi-module examencommissies.
Een grote verbetering was de eindversie van AMBI, bestaande uit een basis AMBI (HG-modulen) en drie studierichtingen. Elke studierichting bevatte drie kernmodulen, een keuzemodule (eventueel uit andere studierichtingen) en een afstudeermodule.
Het schema 'Genealogie AMBI' zegt meer dan 1000 woorden. Het geeft in één
figuur de enorme ontwikkelingen van AMBI (1965) naar AMBI (2010). Het is verkeerd om af te geven op alle begin- en tussenontwikkelingen, die nodig waren om uiteindelijk te komen tot de "eind-specificaties" en het is jammer dat dit proces niet is doorgezet. Goed te zien in deze genealogie dat de afstamming van de basisopleiding en drie studierichtingen van AMBI (2010) rechtstreeks te koppelen zijn aan de vier kernmodulen van AMBI (1965).
Afscheid van AMBI
De laatste AMBI-examens werden in 2010 afgenomen. Binnen en buiten EXIN-kringen is lang gesproken over het wel of niet handhaven van de merknaam AMBI. Het besluit om de naam AMBI te laten vervallen wordt door velen gezien als een verkeerde (marketing)beslissing. Het aantal volledig afgestudeerden AMBI-studenten bedraagt nog geen 10.000, terwijl er meer dan 400.000 module-examens zijn afgenomen, omdat velen, vooral 'normale' gebruikers en managers, voldoende hadden aan één of enkele modules om beter te kunnen functioneren in hun bestaande of nieuwe functie.
De opvolgers van AMBI
AMBI werd eind 2005 opgevolgd door een nieuwe reeks I-tracks-modules. Frameworks (een raamwerk van IT-competenties gebaseerd op de Europese standaard Career Space) vormde de basis voor het I-tracks programma dat door EXIN met een aantal andere IT-organisaties eind 90-er jaren is opgesteld. De I-tracks modules werden verdeeld in een aantal groepen, te weten: introductie, projectorganisatie- en management, functiegerichte en academische modules. Deze opzet wordt niet goed ontvangen in de markt. Het wordt door velen te ingewikkeld en niet op de praktijk afgestemd geacht. Het bedrijfsleven verlangt, los van noodzakelijke inhoudelijke vernieuwingen, volgens verschillende opleiders die I-Tracks aanbieden, terug naar de eenvoud van AMBI. I-Tracks wordt niet als een waardige opvolger gezien. Pikant is dan ook dat I-tracks wordt beëindigd in 2010, het zelfde jaar waarin de laatste AMBI-module wordt geëxamineerd. AMBI (in verschillende versies) bestrijkt een periode van 45 jaar. I-tracks een periode van 5 jaar. Met de snel ingevoerde modulereeks Track (een combinatie een aantal I-tracks en nieuwe Tracks gaat het niet beter. De examinering van deze modules stelt weinig meer voor. EXIN richt zich dan ook voor 95% op het examineren (van voornamelijk ITIL-examens) in het buitenland. Over de opvolgers van AMBI (I-tracks en Tracks) is veel kritiek geuit en ook gepubliceerd. Niet vreemd dat hier en daar nog steeds de wens wordt geuit naar de terugkeer van AMBI, waarbij de structuur nog steeds gelijk is, maar waarbij uiteraard de leerstof en de method van kennisoverdracht wordt aangepast aan de huidige en toekomstige behoeften.







